Het is een vraag die regelmatig terugkomt, met een korte antwoord: soms wel en soms niet.
Maar misschien is dat niet de juiste vraag.
In de bouw wordt nog vaak gekeken naar de investering op het moment van oplevering. Wat kost een materiaal? Wat kost een wand? Wat kost een woning? Die focus op de initiële bouwsom is begrijpelijk, maar vertelt slechts een deel van het verhaal.
Een gebouw leeft vaak tientallen jaren. Gedurende die periode ontstaan onderhoudskosten, energiekosten, vervangingskosten en aanpassingen aan nieuwe wensen of regelgeving. Daarnaast heeft een gebouw invloed op comfort, gezondheid, productiviteit en uiteindelijk zelfs op de waarde van het vastgoed zelf.
Daarom kijken steeds meer partijen naar de zogenaamde Total Cost of Ownership: de totale kosten én opbrengsten gedurende de volledige levensduur van een gebouw.
Vanuit dat perspectief ontstaat vaak een ander beeld.
Een materiaal dat vandaag iets meer kost, maar vijftig jaar meegaat, eenvoudig onderhouden kan worden en zijn waarde behoudt, kan uiteindelijk voordeliger blijken dan een goedkoper alternatief dat eerder vervangen moet worden.
Hetzelfde geldt voor gezondheid.
We brengen het grootste deel van ons leven binnen door. Licht, luchtkwaliteit, akoestiek, temperatuur en materiaalkeuzes hebben invloed op hoe we slapen, werken, herstellen en functioneren. Die effecten zijn lastig uit te drukken in een spreadsheet, maar ze zijn wel degelijk onderdeel van de waarde die een gebouw levert.
Hoe waardeer je een woning waarin je beter slaapt?
Hoe bereken je de waarde van een prettige akoestiek, natuurlijke materialen of een gezond binnenklimaat?
Dat zijn vragen waar steeds meer opdrachtgevers, bewoners en investeerders mee worstelen.
Ook bij materialen bestaat een hardnekkig misverstand. Lokale of biobased materialen worden vaak automatisch als duurder beschouwd. In de praktijk blijkt dat beeld genuanceerder.
Veel traditionele bouwmaterialen hebben een lange keten van producenten, handelaren, distributeurs, tussenpartijen en logistieke schakels. Tegelijkertijd zien we binnen nieuwe materiaalstromen soms juist extra marges ontstaan doordat partijen risico's proberen af te dekken in een markt die nog in ontwikkeling is.
Dat is niet vreemd. Nieuwe ketens moeten groeien, kennis moet worden opgebouwd en producenten investeren in innovatie. Naarmate volumes toenemen en standaarden ontstaan, worden veel van deze systemen efficiënter en voorspelbaarder.
Die ontwikkeling hebben we eerder gezien bij zonnepanelen, warmtepompen en tal van andere innovaties.
Binnen het Levenshuis onderzoeken we daarom niet alleen de aanschafprijs van materialen, maar het volledige plaatje. Wat betekent een keuze voor onderhoud? Voor energieverbruik? Voor gezondheid? Voor flexibiliteit? Voor toekomstig hergebruik? Voor de waarde van het gebouw over twintig, vijftig of zelfs honderd jaar?
Want uiteindelijk gaat bouwen niet alleen over kosten.
Het gaat over waarde.
En waarde ontstaat niet alleen op de dag dat een gebouw wordt opgeleverd, maar gedurende alle jaren waarin mensen er wonen, werken, leren en leven.